Decennia lang wordt de geschiedenis van gokken en waarschijnlijkheid verteld als een verhaal uit de ‘Oude Wereld’. Historici gingen er grotendeels van uit dat de uitvinding van dobbelstenen en gestructureerde kansspelen een ontwikkeling was die uniek was voor oude beschavingen in Eurazië en Afrika. Nieuw archeologisch onderzoek gooit dit verhaal echter omver en onthult dat inheemse Amerikanen al 12.000 jaar geleden dobbelstenen maakten en zich bezighielden met kansspelen.
Het oude gamen opnieuw definiëren
Een recente studie onder leiding van Robert Madden, een Ph.D. student aan de Colorado State University, toont aan dat jager-verzamelaars uit de ijstijd niet alleen maar overleefden; ze creëerden opzettelijk hulpmiddelen om willekeur te manipuleren.
Het onderzoek identificeert het vroegste bewijs van deze spellen binnen de Folsom-sites, daterend uit ongeveer 12.200 tot 12.800 jaar. Deze oude spelers gebruikten niet de zeshoekige kubussen die we vandaag de dag kennen. In plaats daarvan gebruikten ze zogenaamde “binaire loten” :
- Vorm: Kleine, zorgvuldig vervaardigde stukjes bot, vaak ovaal of rechthoekig.
- Functie: Ontworpen om in de hand te worden gehouden en in groepen op een oppervlak te worden gegooid.
- Mechanisme: Elk stuk had twee verschillende zijden, gemarkeerd door kleur, textuur of vorm, die veel op een moderne munt leken.
- Gameplay: Scores werden bepaald door het aantal stukken dat met de aangegeven “telzijde” naar boven was geland.
“Dit zijn geen toevallige bijproducten van botbewerking”, merkt Madden op. “Ze zijn gemaakt om willekeurige resultaten te genereren.”
Een nieuwe standaard voor ontdekking
De doorbraak in dit onderzoek was niet noodzakelijkerwijs de ontdekking van nieuwe artefacten, maar eerder de toepassing van een nieuwe wetenschappelijke lens op bestaande.
Voorheen werden veel botfragmenten gevonden op archeologische vindplaatsen bestempeld als “mogelijke speelstukken” of volledig over het hoofd gezien omdat onderzoekers geen gestandaardiseerde manier hadden om ze te identificeren. Om dit op te lossen heeft Madden een attributengebaseerde morfologische test ontwikkeld. Door moderne archeologische vondsten te vergelijken met een enorme dataset van 293 historische Indiaanse dobbelstenen (gedocumenteerd door etnograaf Stewart Culin in 1907), stelde de studie strenge, objectieve criteria vast voor wat een ‘dobbelsteen’ is.
Door deze test toe te passen op het bestaande archeologische archief, identificeerde Madden meer dan 600 diagnostische en waarschijnlijke dobbelstenen in de Noord-Amerikaanse prehistorie, variërend van het Laat-Pleistoceen tot het tijdperk van Europees contact.
De sociale kracht van waarschijnlijkheid
Hoewel deze jager-verzamelaars uit de ijstijd geen complexe wiskundige formules berekenden, beoefenden ze een fundamentele vorm van probabilistisch denken. Door herhaalbare, op regels gebaseerde methoden te gebruiken om willekeurige uitkomsten waar te nemen, maakten ze gebruik van de ‘wet van de grote getallen’ lang voordat het concept formeel werd gecodificeerd door wiskundigen.
Wat nog belangrijker is, deze spellen dienden een essentieel sociologisch doel. Uit het onderzoek blijkt dat gok- en kansspelen fungeerden als “sociale technologieën” die het volgende opleverden:
– Neutraal terrein: Door regels bestuurde ruimtes waar verschillende groepen zonder conflicten met elkaar kunnen communiceren.
– Diplomatie: Mogelijkheden om goederen uit te wisselen, informatie te delen en allianties te vormen.
– Risicobeheer:** Een manier om onzekerheid binnen sociale structuren te navigeren en te beheren.
Conclusie
Dit onderzoek verandert ons begrip van de menselijke cognitieve geschiedenis en bewijst dat het vermogen om willekeur in sociale rituelen te structureren een eeuwenoude, mondiale menselijke eigenschap is. Door deze ‘binaire percelen’ te herkennen, zien we een veel complexer en onderling verbonden sociaal landschap in de Noord-Amerikaanse ijstijd dan we eerder hadden gedacht.

























